Duitse Grammatica en Woordenschat Oefeningen
Hier zijn de antwoorden op de gevraagde opdrachten:
Opdracht 11 A
Deze opdracht vraagt om de woorden te vertalen en de juiste vormen in te vullen, gebruikmakend van Grammatica A. De dialoog moet worden aangevuld.
Dialoog met ingevulde antwoorden:
Maria: Hey Thomas. (1 Heb jij) unseren neuen Stundenplan gesehen?
Thomas: Hallo Maria. Nein. (2 Waar) kann ich ihn finden?
Maria: Hier! (3 Wij zullen) dieses Jahr zwei neue Fächer haben.
Thomas: (4 Welke) Fächer denn?
Maria: Wirtschaft und Chemie. Chemie (5 wordt) schwierig. Welches findest du schwierig?
Thomas: (6 Ik ben) schlecht in Mathe. Ich finde Mathe schwierig. (8 hebben wij)
Maria: Mathe (9 is) jeden Montag in der ersten Stunde.
Thomas: (10 Wie is) unser Klassenlehrer?
Maria: Herr Riemer (11 wordt) unser Klassenlehrer.
Thomas: Meine Schwester (12 heeft) ihn in Deutsch (13 gehad) ! (14 Hij is)
Uitleg:
- 1. Heb jij: Dit is de correcte vorm van het werkwoord "hebben" in de tweede persoon enkelvoud, passend bij "Hey Thomas".
- 2. Waar: Thomas vraagt waar hij het rooster kan vinden.
- 3. Wij zullen: Maria kondigt aan dat ze dit jaar twee nieuwe vakken zullen hebben.
- 4. Welke: Thomas vraagt naar welke vakken Maria verwijst.
- 5. wordt: Chemie wordt als moeilijk ervaren.
- 6. Ik ben: Thomas geeft aan dat hij slecht is in wiskunde.
- 7. (niet ingevuld in de originele tekst, maar logisch zou zijn: "Ik ook" of iets dergelijks)
- 8. hebben wij: Dit past bij de context van het rooster en de vakken die zij hebben.
- 9. is: De vraag gaat over de wiskundeles op maandag.
- 10. Wie is: Thomas vraagt naar de identiteit van de klassenleraar.
- 11. wordt: Herr Riemer wordt de klassenleraar.
- 12. heeft: De zin gaat over wat zijn zus in het Duits heeft gehad.
- 13. gehad: Dit is de voltooid deelwoord van "hebben", passend bij de vorige zin.
- 14. Hij is: Dit is een correcte afsluiting van de zin.
Грамматика английского языка
Opdracht 11 A
Deze opdracht vraagt om de woorden te vertalen en de juiste vormen in te vullen, gebruikmakend van Grammatica A. De dialoog moet worden aangevuld.
Dialoog met ingevulde antwoorden:
Maria: Hey Thomas. (1 Heb jij) unseren neuen Stundenplan gesehen?
Thomas: Hallo Maria. Nein. (2 Waar) kann ich ihn finden?
Maria: Hier! (3 Wij zullen) dieses Jahr zwei neue Fächer haben.
Thomas: (4 Welke) Fächer denn?
Maria: Wirtschaft und Chemie. Chemie (5 wordt) schwierig. Welches findest du schwierig?
Thomas: (6 Ik ben) schlecht in Mathe. Ich finde Mathe schwierig. (8 hebben wij)
Maria: Mathe (9 is) jeden Montag in der ersten Stunde.
Thomas: (10 Wie is) unser Klassenlehrer?
Maria: Herr Riemer (11 wordt) unser Klassenlehrer.
Thomas: Meine Schwester (12 heeft) ihn in Deutsch (13 gehad) ! (14 Hij is)
Uitleg:
- 1. Heb jij: Dit is de correcte vorm van het werkwoord "hebben" in de tweede persoon enkelvoud, passend bij "Hey Thomas". De Nederlandse vertaling is "Heb jij".
- 2. Waar: Thomas vraagt waar hij het rooster kan vinden. De Nederlandse vertaling is "Waar".
- 3. Wij zullen: Maria kondigt aan dat ze dit jaar twee nieuwe vakken zullen hebben. De Nederlandse vertaling is "Wij zullen".
- 4. Welke: Thomas vraagt naar welke vakken Maria verwijst. De Nederlandse vertaling is "Welke".
- 5. wordt: Chemie wordt als moeilijk ervaren. De Nederlandse vertaling is "wordt".
- 6. Ik ben: Thomas geeft aan dat hij slecht is in wiskunde. De Nederlandse vertaling is "Ik ben".
- 7. (niet ingevuld in de originele tekst, maar logisch zou zijn: "Ik ook" of iets dergelijks)
- 8. hebben wij: Dit past bij de context van het rooster en de vakken die zij hebben. De Nederlandse vertaling is "hebben wij".
- 9. is: De vraag gaat over de wiskundeles op maandag. De Nederlandse vertaling is "is".
- 10. Wie is: Thomas vraagt naar de identiteit van de klassenleraar. De Nederlandse vertaling is "Wie is".
- 11. wordt: Herr Riemer wordt de klassenleraar. De Nederlandse vertaling is "wordt".
- 12. heeft: De zin gaat over wat zijn zus in het Duits heeft gehad. De Nederlandse vertaling is "heeft".
- 13. gehad: Dit is de voltooid deelwoord van "hebben", passend bij de vorige zin. De Nederlandse vertaling is "gehad".
- 14. Hij is: Dit is een correcte afsluiting van de zin. De Nederlandse vertaling is "Hij is".
Opdracht 11 A
Deze opdracht vraagt om de woorden te vertalen en de juiste vormen in te vullen, gebruikmakend van Grammatica A. De dialoog moet worden aangevuld.
Dialoog met ingevulde antwoorden:
Maria: Hey Thomas. (1 Hast du) unseren neuen Stundenplan gesehen?
Thomas: Hallo Maria. Nein. (2 Wo) kann ich ihn finden?
Maria: Hier! (3 Wir werden) dieses Jahr zwei neue Fächer haben.
Thomas: (4 Welche) Fächer denn?
Maria: Wirtschaft und Chemie. Chemie (5 wird) schwierig. Welches findest du schwierig?
Thomas: (6 Ich bin) schlecht in Mathe. Ich finde Mathe schwierig. (8 haben wir)
Maria: Mathe (9 ist) jeden Montag in der ersten Stunde.
Thomas: (10 Wer ist) unser Klassenlehrer?
Maria: Herr Riemer (11 wird) unser Klassenlehrer.
Thomas: Meine Schwester (12 hat) ihn in Deutsch (13 gehabt) ! (14 Er ist)
Uitleg:
- 1. Hast du: Dit is de correcte vorm van het werkwoord "haben" (hebben) in de tweede persoon enkelvoud (du), passend bij "Hey Thomas".
- 2. Wo: Thomas vraagt waar hij het rooster kan vinden. "Wo" betekent "waar".
- 3. Wir werden: Maria kondigt aan dat ze dit jaar twee nieuwe vakken zullen hebben. "Wir werden" betekent "wij zullen".
- 4. Welche: Thomas vraagt naar welke vakken Maria verwijst. "Welche" betekent "welke".
- 5. wird: Chemie wordt als moeilijk ervaren. "Wird" is de derde persoon enkelvoud van "werden" (worden).
- 6. Ich bin: Thomas geeft aan dat hij slecht is in wiskunde. "Ich bin" betekent "ik ben".
- 7. (Wanneer): Dit is een mogelijke aanvulling, afhankelijk van de context die niet volledig zichtbaar is. Het zou kunnen verwijzen naar de tijd van een les.
- 8. haben wir: Dit past bij de context van het rooster en de vakken die zij hebben. "Haben wir" betekent "hebben wij".
- 9. ist: De vraag gaat over de wiskundeles op maandag. "Ist" is de derde persoon enkelvoud van "sein" (zijn).
- 10. Wer ist: Thomas vraagt naar de identiteit van de klassenleraar. "Wer ist" betekent "wie is".
- 11. wird: Herr Riemer wordt de klassenleraar. "Wird" is de derde persoon enkelvoud van "werden" (worden).
- 12. hat: De zin gaat over wat zijn zus in het Duits heeft gehad. "Hat" is de derde persoon enkelvoud van "haben" (hebben).
- 13. gehabt: Dit is het voltooid deelwoord van "haben", passend bij de vorige zin om de voltooid tegenwoordige tijd te vormen.
- 14. Er ist: Dit is een correcte afsluiting van de zin, verwijzend naar Herr Riemer. "Er ist" betekent "hij is".
Opdracht 11 A
Deze opdracht vraagt om de woorden te vertalen en de juiste vormen in te vullen, gebruikmakend van Grammatica A. De dialoog moet worden aangevuld.
Dialoog met ingevulde antwoorden:
Maria: Hey Thomas. (1 Hast du) unseren neuen Stundenplan gesehen?
Thomas: Hallo Maria. Nein. (2 Wo) kann ich ihn finden?
Maria: Hier! (3 Wir werden) dieses Jahr zwei neue Fächer haben.
Thomas: (4 Welche) Fächer denn?
Maria: Wirtschaft und Chemie. Chemie (5 wird) schwierig. Welches findest du schwierig?
Thomas: (6 Ich bin) schlecht in Mathe. Ich finde Mathe schwierig. (8 haben wir)
Maria: Mathe (9 ist) jeden Montag in der ersten Stunde.
Thomas: (10 Wer ist) unser Klassenlehrer?
Maria: Herr Riemer (11 wird) unser Klassenlehrer.
Thomas: Meine Schwester (12 hat) ihn in Deutsch (13 gehabt) ! (14 Er ist)
Uitleg:
- 1. Hast du: Dit is de correcte vorm van het werkwoord "haben" (hebben) in de tweede persoon enkelvoud (du), passend bij "Hey Thomas". De Nederlandse vertaling is "Heb jij".
- 2. Wo: Thomas vraagt waar hij het rooster kan vinden. De Nederlandse vertaling is "Waar".
- 3. Wir werden: Maria kondigt aan dat ze dit jaar twee nieuwe vakken zullen hebben. De Nederlandse vertaling is "Wij zullen".
- 4. Welche: Thomas vraagt naar welke vakken Maria verwijst. De Nederlandse vertaling is "Welke".
- 5. wird: Chemie wordt als moeilijk ervaren. De Nederlandse vertaling is "wordt".
- 6. Ich bin: Thomas geeft aan dat hij slecht is in wiskunde. De Nederlandse vertaling is "Ik ben".
- 7. (Wanneer): Dit is een mogelijke aanvulling, afhankelijk van de context die niet volledig zichtbaar is. Het zou kunnen verwijzen naar de tijd van een les. De Nederlandse vertaling is "Wanneer".
- 8. haben wir: Dit past bij de context van het rooster en de vakken die zij hebben. De Nederlandse vertaling is "hebben wij".
- 9. ist: De vraag gaat over de wiskundeles op maandag. De Nederlandse vertaling is "is".
- 10. Wer ist: Thomas vraagt naar de identiteit van de klassenleraar. De Nederlandse vertaling is "Wie is".
- 11. wird: Herr Riemer wordt de klassenleraar. De Nederlandse vertaling is "wordt".
- 12. hat: De zin gaat over wat zijn zus in het Duits heeft gehad. De Nederlandse vertaling is "heeft".
- 13. gehabt: Dit is het voltooid deelwoord van "haben", passend bij de vorige zin om de voltooid tegenwoordige tijd te vormen. De Nederlandse vertaling is "gehad".
- 14. Er ist: Dit is een correcte afsluiting van de zin, verwijzend naar Herr Riemer. De Nederlandse vertaling is "Hij is".
Opdracht 11 B
Deze opdracht vraagt om het gesprek van A te spelen, waarbij één persoon de rol van Maria leest en de andere de rol van Thomas, en daarna de rollen wisselen. Dit is een praktische oefening om het gesprek te oefenen.
Instructies:
- Verdeel de rollen: één persoon leest alle zinnen van Maria, de ander alle zinnen van Thomas.
- Lees het gesprek hardop voor.
- Wissel daarna van rol en lees het gesprek opnieuw.
Opdracht 11 C
Deze opdracht vraagt om het gesprek nogmaals te spelen, maar nu aangevuld met eigen informatie. Dit moedigt creativiteit en het toepassen van de geleerde woordenschat aan.
Instructies:
- Speel het gesprek van opdracht 11 A nogmaals.
- Vervang de informatie tussen haakjes (de ingevulde antwoorden) door eigen informatie. Bijvoorbeeld:
- In plaats van "Wirtschaft und Chemie", kun je andere vakken noemen die je volgt.
- In plaats van "Mathe", kun je een ander vak noemen dat je moeilijk vindt.
- Je kunt de naam van de klassenleraar veranderen.
- Zorg ervoor dat de grammaticale vormen van de werkwoorden en andere woorden correct blijven, aangepast aan de nieuwe informatie.